Financiën

In de vorige eeuw blijken de financiën een voortdurende bron van zorg.

Dit valt niet alleen te verklaren uit de economische ontwikkelingen in die tijden. Misschien was men te ambitieus en werd de tering niet altijd naar de nering gezet. Men miste ook enkele grote geldschieters en de vaste bron van inkomsten uit ledencontributies schommelde sterk.

De contributie bedroeg rond 1920 vijf cent per week. Donateurs betaalden f 1,- gulden per kwartaal.

De crisisjaren ‘30 bleken ook voor de harmonie financieel zorgelijk. Voor vervanging van instrumenten was meestal onvoldoende geld in kas, er werd zelfs geld voor geleend. Noodzakelijke reparaties werden door een eigen reparateur verricht. Vaak was er zelfs onvoldoende geld in kas om op uitnodigingen van jubilerende verenigingen in te gaan, wilde men niet met lege handen komen. In plaats daarvan werd noodzakelijkerwijs een schriftelijke felicitatie gestuurd.

Herhaalde schriftelijke oproepen van Buma ter afdracht van Bumarechten werden terzijde gelegd. Tot de toenmalige directeur J.Horst een proces-verbaal kreeg “wegens het uitvoeren van hun repertoire zonder de vereischte toestemming”. Er werd van de eigenaar van de Hollandse Tuin, heer Aarts, f 100,- geleend om de Buma te betalen; f 50,- daarvan was voor afkoop van het proces-verbaal.

Zoals gezegd bleek ook het ledental een belangrijke factor in de financiële draagkracht van de harmonie. Toen de teruggang zich voordeed begin jaren ’60, was men gedwongen een rentedragende lening bij de gemeente af te sluiten van f 10.000 voor aanschaf van nieuw instrumentarium.